ECLI:NL:CRVB:2004:AP0552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kinderbijslag voor kleinkind niet als pleegkind wegens ontbreken exclusieve opvoedingsrelatie
Appellante vroeg kinderbijslag aan voor haar kleinkind Muhammed, die sinds eind 1998 bij haar woont en door haar wordt onderhouden. De moeder van Muhammed woont nog in hetzelfde dorp en heeft de juridische opvoedingsverantwoordelijkheid. Gedaagde weigerde de kinderbijslag omdat niet voldaan werd aan het exclusiviteitsvereiste van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad overwoog dat alleen wanneer de verzekerde de plaats van de ouder in de opvoeding inneemt en er een nauwe, exclusieve relatie bestaat, het kind als pleegkind kan worden aangemerkt.
In dit geval was wel sprake van feitelijke verzorging, maar niet van het innemen van de plaats van de moeder in de opvoeding. Hierdoor ontbrak de exclusieve opvoedingsrelatie. Bovendien was appellante vanaf het eerste kwartaal 2000 niet meer verzekerd voor de AKW. De Raad wees ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel af wegens onvoldoende onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de weigering van kinderbijslag aan appellante over de periode van het eerste kwartaal 1999 tot en met het tweede kwartaal 2000.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag omdat het kleinkind niet als pleegkind kan worden aangemerkt wegens het ontbreken van een exclusieve opvoedingsrelatie.