ECLI:NL:CRVB:2004:AP2081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.C.F. Talman
- A. Beuker-Tilstra
- Rechtspraak.nl
Onterecht verleend eervol ontslag wegens vermeende ongeschiktheid en gebrek aan passende functie
Appellante was sinds 1980 werkzaam als administratief medewerkster bij het parket van het arrondissement 's-Hertogenbosch. Vanaf 1996 ontstonden er problemen rond haar functioneren en samenwerking met collega's, wat leidde tot gesprekken en afspraken over haar werk. In 1997 werd haar meegedeeld dat zij vanwege een organisatorische wijziging per 1998 niet in haar functie kon blijven werken en elders geplaatst zou worden, maar zij kreeg geen concrete bezwaren te horen.
In januari 1998 werd zij buitengewoon verlof verleend vanwege een verstoorde arbeidsrelatie en werd gesproken over beëindiging van de arbeidsverhouding. Appellante stelde voorwaarden aan beëindiging, waaronder het vinden van een passende baan elders en een terugkomgarantie. Gedaagde bood haar mogelijkheden via een mobiliteitsbureau, maar appellante was niet bereid het rapport daarvan te delen en toonde weinig medewerking.
In februari 2000 werd aan appellante eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor haar functie en het ontbreken van een passende andere functie. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de ongeschiktheid onvoldoende is onderbouwd en dat het besluit op ondeugdelijke feitelijke gronden berust. De Raad vernietigt het besluit en veroordeelt gedaagde in de proceskosten.
Uitkomst: Het eervol ontslag wegens vermeende ongeschiktheid wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing.