ECLI:NL:CRVB:2004:AP3225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken resterend belang bij bijstandsbesluit
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen die haar beroep tegen een bijstandsbesluit van 23 mei 2001 ongegrond verklaarde. De rechtbank had geoordeeld dat de bijstandsuitkering terecht pas op 24 augustus 2000 was ingegaan en dat een maatregel van 50% verlaging over een maand terecht was opgelegd vanwege het door eigen toedoen niet behouden van arbeid.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat in een eerdere uitspraak inzake appellantes recht op een WW-uitkering was vastgesteld dat het Uitvoeringsinstituut ten onrechte had aangenomen dat appellante door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden. Hierdoor was de maatregel op de WW-uitkering onterecht opgelegd.
Gezien deze eerdere uitspraak was niet gebleken dat appellante nog een resterend belang had bij een oordeel over het bijstandsbesluit van 23 mei 2001. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Raad veroordeelde de gemeente Doetinchem tot betaling van de proceskosten en vergoedde het griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan resterend belang.