ECLI:NL:CRVB:2004:AP4471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten terugvordering en beëindiging bijstand wegens onjuiste vermogensvaststelling
Appellante ontving bijstand vanaf februari 1999 en verkocht in juni 1999 haar woning, waarbij zij feitelijk de beschikking kreeg over haar aandeel uit de opbrengst. De gemeente beëindigde haar bijstand per 1 augustus 1999 wegens vermogen boven de vermogensgrens en vorderde terugbetaling van bijstandskosten over de periode februari tot juli 1999. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, stellende dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de betalingen aan haar broer een schuld aflossing betroffen, waardoor het vermogen boven de grens bleef.
De Centrale Raad oordeelt dat appellante vanaf 11 juni 1999 feitelijk beschikte over middelen die de terugvordering over die periode uitsluiten. De Raad volgt de rechtbank niet in de verwerping van de schuld aan de broer, omdat niet is vastgesteld dat appellante de vordering op haar broer direct kon opeisen of te gelde maken na 6 juli 1999. Hierdoor kon geen sprake zijn van een vermogen boven de grens vanaf die datum.
De Raad vernietigt de besluiten van 2 mei 2000 en 20 februari 2001, omdat de beëindiging van de bijstand per 1 augustus 1999 en de afwijzing van latere aanvragen onjuist zijn. De gemeente dient opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad de gemeente in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten over terugvordering en beëindiging van bijstand wegens onjuiste vermogensvaststelling en beveelt hernieuwde besluitvorming.