ECLI:NL:CRVB:2007:BB2800
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.J.A. Kooijman
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling evenredigheid maatregel wegens tekortschietend besef bijstandvoorziening
Appellante werd een maatregel opgelegd wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, omdat zij onverantwoordelijk over haar vermogen beschikte terwijl zij bijstand ontving. Het College had de maatregel berekend op 53 maanden, maar beperkte deze tot de periode van 6 juli 1999 tot 1 september 2001.
De Raad oordeelt dat de maatregel niet kan worden opgelegd over de periode na 31 januari 2001, omdat vanaf 1 februari 2001 geen recht meer op bijstand bestond. Het opleggen van een sanctie over een periode waarin geen recht op bijstand bestaat, is niet toegestaan. Tevens constateert de Raad dat het College het bezwaar tegen de maatregel onterecht als ongegrond heeft verklaard en vernietigt dit besluit.
De Raad bevestigt dat appellante tekortschietend heeft gehandeld en dat een maatregel op grond van artikel 14 van Pro de Algemene bijstandswet terecht is opgelegd, maar acht de duur van de maatregel over de periode van 6 juli 1999 tot en met 31 januari 2001 proportioneel. Verder veroordeelt de Raad het College in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: De maatregel wegens tekortschietend besef wordt beperkt tot de periode van 6 juli 1999 tot en met 31 januari 2001 en het besluit tot oplegging van de maatregel over de latere periode wordt vernietigd.