ECLI:NL:CRVB:2004:AP4556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1994
Appellante ontving vanaf 1 augustus 1990 een ouderdomspensioen volgens de norm voor een ongehuwde. Na een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank een onderzoek naar haar vermeende gezamenlijke huishouding met betrokkene. Op basis van dit onderzoek werd haar AOW-uitkering met ingang van 1 september 1994 herzien naar de norm voor een ongehuwde die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert.
Appellante stelde dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding in de betreffende periode en betwistte de waarde van haar verklaring afgelegd bij sociaal rechercheurs. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank ten onrechte alleen de verklaring van appellante had betrokken en dat het besluit van 24 mei 2000 onjuist was toegepast voor de periode tot 2 januari 1998.
De Raad stelde vast dat appellante en betrokkene vanaf 1 september 1994 feitelijk gemiddeld vijf dagen per week samenwoonden en zorg voor elkaar droegen, wat voldoet aan de objectieve criteria van gezamenlijke huishouding volgens de AOW. De herziening van het pensioen was daarom terecht, maar de wettelijke grondslag voor de periode vóór 2 januari 1998 was onjuist toegepast, waardoor dat deel van het besluit werd vernietigd.
De rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit blijven in stand en de Sociale verzekeringsbank werd veroordeeld in de proceskosten van appellante. Tevens werd bepaald dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: Besluit herziening AOW-uitkering vernietigd voor periode 1994-1998, gezamenlijke huishouding bevestigd, Sociale verzekeringsbank veroordeeld in proceskosten.