ECLI:NL:CRVB:2004:AP8506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing WAO-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden en fraude
Appellante ontving vanaf 1997 een WW-uitkering, gevolgd door een WAO-uitkering en toeslag. Gedaagde ontving een tip dat appellante tussen januari 1997 en april 1999 werkzaamheden verrichtte in een restaurant van haar broer, zonder dit te melden. Na onderzoek en getuigenverklaringen concludeerde de opsporingsambtenaar dat sprake was van valsheid in geschrifte en het niet melden van werkzaamheden.
Gedaagde schortte daarom de uitbetaling van de WAO-uitkering en toeslag per 19 februari 2001. Appellante voerde aan dat zij slechts marginaal aanwezig was in de toko en geen inkomsten had ontvangen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij haar aanwezigheid met de verzekeringsarts had besproken en dat haar werkzaamheden niet van invloed waren op haar uitkering.
De Raad oordeelt dat gedaagde op het moment van het besluit een gegrond vermoeden had dat appellante onrechtmatig een uitkering ontving, gebaseerd op het rapport van de opsporingsfunctionaris en getuigenverklaringen. Het niet melden van werkzaamheden was een schending van de mededelingsplicht. De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens niet gemelde werkzaamheden en schending van de mededelingsplicht.