ECLI:NL:CRVB:2004:AP8626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th. C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag bijstand met terugwerkende kracht zonder bijzondere omstandigheden
Appellant verzocht om bijstand over twee perioden: van 14 juli 1997 tot 28 oktober 1998 (periode A) en van 29 oktober 1998 tot 23 december 1999 (periode B). De gemeente Rotterdam weigerde dit, waarop appellant beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor periode B en bepaalde dat de gemeente een nieuw besluit moest nemen. De gemeente kwam daaraan tegemoet met een besluit van 16 mei 2002, waarmee de bijstand voor periode B werd toegekend.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde vervolgens het geschil over periode A. Volgens artikel 67 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw) wordt bijstand op aanvraag verleend en in beginsel niet met terugwerkende kracht toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De Raad oordeelde dat het toekennen van een verblijfstitel met terugwerkende kracht en het ontbreken van een geldige verblijfstitel ten tijde van de aanvraag geen bijzondere omstandigheden zijn. Ook het aanvoeren van schulden door appellant vormde geen grond voor uitzondering.
De Raad bevestigde daarom de weigering van bijstand over periode A en wees een veroordeling in proceskosten af. Hiermee kwam een einde aan het geschil over de aanvraag bijstand met terugwerkende kracht.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.