ECLI:NL:CRVB:2024:1872
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor reiskosten en woningopknapkosten bevestigd
Appellante vroeg bijzondere bijstand voor reiskosten die zij maakte tussen 2014 en 2019 voor bezoeken aan haar meerderjarige zoon in een penitentiaire inrichting, en voor het opknappen van haar woning. Het college wees de aanvraag af omdat bijzondere bijstand in principe niet met terugwerkende kracht wordt verleend en omdat voor de opknapkosten reservering mogelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij foutief was geïnformeerd en dat zij in 2015 al een aanvraag had ingediend die niet werd behandeld. De Raad vond dit niet aannemelijk omdat de stukken niet waren ontvangen en appellante geen verdere actie had ondernomen. Ook haar psychische problemen vormden geen grond voor terugwerkende bijzondere bijstand.
Ten aanzien van de opknapkosten oordeelde de Raad dat een bijstandsinkomen voorziet in noodzakelijke kosten en dat appellante, die sinds 2007 bijstand ontvangt en toeslagen krijgt, had kunnen reserveren. Zij maakte niet aannemelijk dat dit onmogelijk was. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand bleef in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand blijft in stand.