ECLI:NL:CRVB:2004:AQ1135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering nabestaandenuitkering op grond van artikel 4 Anw na echtscheiding zonder alimentatieverplichting
Appellante, gescheiden sinds 1998 en zonder alimentatieverplichting opgelegd aan haar ex-echtgenoot, verzocht om een nabestaandenuitkering na zijn overlijden in 2000. De Sociale verzekeringsbank wees dit af omdat zij niet als nabestaande in de zin van artikel 4 van Pro de Algemene nabestaandenwet (Anw) kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Appellante voerde aan dat er wel degelijk een financiële band bestond door vrijwillige betalingen, en dat artikel 4 van Pro de Anw ruimer geïnterpreteerd moest worden om haar recht te doen.
De Raad oordeelde echter dat de wetgever bewust een strikte eis stelt aan de alimentatieverplichting, vastgelegd in rechterlijke uitspraak of notariële akte, en dat de Raad niet bevoegd is om de wet aan algemene rechtsbeginselen te toetsen. De aanvullende eis van inkomensderving is volgens de wetsgeschiedenis essentieel om een rechtvaardige regeling voor pseudo-weduwen te waarborgen.
Daarmee faalt het beroep en wordt de weigering van de nabestaandenuitkering bevestigd. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.