ECLI:NL:CRVB:2004:AQ4517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermogen boven vrijlatingsgrens
Appellant ontving sinds juni 1998 een bijstandsuitkering die in november 1999 werd beëindigd wegens werkaanvaarding. Uit onderzoek bleek dat appellant een bankrekening had met een tegoed boven de vrijlatingsgrens, wat niet was gemeld. Gedaagde trok daarop de bijstand over de periode juni 1998 tot november 1999 in en vorderde terugbetaling.
Appellant stelde dat het tegoed van zijn ouders was, maar kon dit niet voldoende aantonen. De Raad oordeelde dat het tegoed op de bankrekening wordt vermoed tot het vermogen van appellant te behoren, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Voor de periode 19 tot 25 november 1999 was het saldo na een kasopname onder de vermogensgrens, waardoor het besluit over die periode onvoldoende gemotiveerd was en vernietigd werd.
De Raad handhaafde de intrekking en terugvordering over de overige periode, omdat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en geen dringende redenen voor afzien van intrekking of terugvordering waren gebleken. De Raad veroordeelde gedaagde tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt gedeeltelijk vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de terugvordering wordt bevestigd wegens niet opgegeven vermogen.