ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering ondanks beroep op rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel
Appellant ontving vanaf 24 maart 2000 tot 1 mei 2001 een WAO-uitkering die gedeeltelijk onverschuldigd was vanwege onjuiste en onvolledige inlichtingen over zijn inkomsten. Gedaagde, het UWV, schortte de uitkering gedeeltelijk en vorderde het teveel betaalde bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze terugvordering ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel hem bescherming boden tegen terugvordering, omdat hij meende dat hij zijn inkomsten correct had opgegeven en dat deze geen invloed hadden op zijn uitkering.
De Raad overwoog dat terugvordering op grond van artikel 57 WAO Pro verplicht is, tenzij sprake is van dringende redenen die terugvordering onaanvaardbaar maken. Zulke dringende redenen vereisen een uitzonderlijke situatie met onaanvaardbare gevolgen voor de verzekerde. Het enkele beroep op gewekte verwachtingen of schending van het vertrouwensbeginsel is volgens vaste rechtspraak onvoldoende. Voor het rechtszekerheidsbeginsel geldt dat alleen een ondubbelzinnige schriftelijke mededeling zonder onjuiste of onvolledige inlichtingen daaraan kan worden getoetst.
In deze zaak was er weliswaar een schriftelijke mededeling van het UWV, maar deze was gebaseerd op onvolledige inlichtingen van appellant, die bovendien de onjuistheid van het standpunt had behoren te onderkennen. De Raad verwierp dan ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel en bevestigde het bestreden besluit tot terugvordering van de onverschuldigde uitkering.
Uitkomst: De terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.