ECLI:NL:CRVB:2001:AB1724
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering ondanks betwisting dringende redenen
Appellant had onverschuldigde WAO-uitkeringen ontvangen over de periode van 3 juni tot 30 november 1996. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) besloot deze terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond voor de periode 3 juni tot 1 augustus 1996, maar ongegrond voor de periode daarna. Appellant ging in hoger beroep tegen de terugvordering over de periode 1 augustus tot 30 november 1996.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat Lisv geen algemene onderzoeksplicht had om eigenhandig te onderzoeken of er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad verwierp het beroep van appellant dat het besluit in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat er geen ondubbelzinnige schriftelijke mededeling was die een rechtens relevante verwachting wekte. Tevens werd het beroep verworpen dat er dringende redenen waren om af te zien van terugvordering, aangezien deze alleen in uitzonderlijke gevallen van onaanvaardbare consequenties kunnen worden aangenomen.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd in het openbaar gegeven door voorzitter H. van Leeuwen en leden W.D.M. van Diepenbeek en T. Hoogenboom op 21 maart 2001.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkeringen over de periode 1 augustus tot 30 november 1996.