ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7376
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en schending redelijke termijn in WAO-uitkeringszaak
Appellant, die zijn werkzaamheden als zelfstandig schrijver staakte wegens hartklachten, kreeg aanvankelijk een voorlopige WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Later werd dit percentage bij verschillende besluiten vastgesteld op 25-35%, gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek. Appellant voerde aan dat zijn psychische belastbaarheid ernstiger beperkt was dan vastgesteld en dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar zijn somatische klachten.
De Raad benoemde deskundigen, waaronder een psychiater en een cardioloog, die concludeerden dat appellant geen zodanige beperkingen had die hem verhinderen de geselecteerde functies te vervullen. De Raad volgde deze conclusies en verwierp de grieven van appellant. Tevens constateerde de Raad dat de procedure ruim vijf jaar had geduurd, wat een schending van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro oplevert.
De Raad bevestigde het bestreden vonnis van de rechtbank Haarlem en verklaarde de beroepen ongegrond, waarbij de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid gehandhaafd bleef. De overschrijding van de redelijke termijn werd erkend, maar leidde niet tot een andere inhoudelijke beslissing.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van arbeidsongeschiktheid op 25-35% en erkent de overschrijding van de redelijke termijn.