ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.PJ. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek overname achterstallige betalingsverplichtingen werkgever wegens ontbreken blijvende betalingsonmacht
Appellant, voormalig directeur en aandeelhouder van een vennootschap die kantoorbenodigdheden verhandelde, verzocht de overname van achterstallige betalingsverplichtingen van zijn werkgever op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, wees dit verzoek af omdat de werkgever niet in een staat van blijvende betalingsonmacht verkeerde.
De vennootschap was in augustus 2000 gestopt met haar activiteiten vanwege een negatieve vermogenspositie en werd in april 2001 failliet verklaard. Appellant stelde loon en vakantiebijslag te vorderen over de periode december 2000 tot en met april 2001. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en deze uitspraak werd in hoger beroep bevestigd.
De Raad oordeelde dat de vennootschap weliswaar schulden had en haar vooruitzichten slecht waren, maar dat dit onvoldoende was om blijvende betalingsonmacht aan te nemen. Appellant had geen deugdelijke stukken overgelegd die de vermogenspositie van de vennootschap op het relevante moment bewezen, terwijl hij als aandeelhouder toegang tot die informatie had moeten hebben. Ook het feit dat appellant in februari 2001 nog een deel van zijn salaris ontving en de faillietverklaring in april 2001 vond plaats, maakte niet dat er in januari 2001 al sprake was van blijvende betalingsonmacht.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagde en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het verzoek tot overname van achterstallige betalingsverplichtingen werd afgewezen omdat de werkgever niet in een staat van blijvende betalingsonmacht verkeerde.