ECLI:NL:CRVB:2004:AR1573
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Blijvende gehele weigering WW-uitkering na ontslag en verhuizing zonder dringende reden
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, nam ontslag per 1 augustus 1999 en verhuisde naar Friesland, nadat haar moeder was overleden. Zij vroeg een WW-uitkering aan, die haar blijvend geheel werd geweigerd omdat de verhuizing en ontslag niet onvermijdelijk waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat de gezondheidsklachten van appellante en haar moeder niet zodanig waren dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd de dienstbetrekking voort te zetten.
Verder concludeert de Raad dat appellante voldoende inzicht had in de consequenties van haar handelen en dat de keuze om te verhuizen een persoonlijke voorkeur betrof, niet gedreven door een te respecteren belang onder de WW. Het bestreden besluit en de uitspraak blijven daarom in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering aan appellante.