ECLI:NL:CRVB:2004:AR3131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Geen aanmerkelijke inkomsten uit outplacementkosten bij beëindiging dienstbetrekking
In deze zaak staat centraal of de door de werkgever aan een outplacementbureau betaalde kosten voor het outplacementtraject van de werknemer als inkomsten moeten worden aangemerkt in verband met de beëindiging van diens dienstbetrekking. De werknemer was sinds 1989 in dienst en kreeg vanaf november 1999 de gelegenheid om een andere baan te zoeken, waarbij de werkgever de outplacementkosten betaalde.
De werkgever verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2000, zonder vergoeding aan de werknemer. De kantonrechter stemde hiermee in. De werknemer vond ander werk vanaf augustus 2000. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) kende een WW-uitkering toe met ingang van 1 juni 2000, waarbij het outplacementbedrag werd gezien als inkomsten die de opzegtermijn zouden verkorten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de outplacementkosten niet als inkomsten in de zin van artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet kunnen worden aangemerkt. De Raad vindt geen voldoende aanknopingspunten in de wetsgeschiedenis of de tekst van de wet om deze kosten als inkomsten te beschouwen die de werknemer rechtens toekomen bij beëindiging van de dienstbetrekking. Hierdoor blijft de ingangsdatum van de WW-uitkering ongewijzigd.
De Raad bevestigt het bestreden vonnis en veroordeelt het Uwv tot betaling van de proceskosten van de werknemer.
Uitkomst: Outplacementkosten door werkgever betaald worden niet als inkomsten aangemerkt voor beëindiging dienstbetrekking.