ECLI:NL:CRVB:2004:AR3458

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1598 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenAlgemene OuderdomswetWet Uitkering Vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering toeslag ouderdomspensioen bij partner met WUV-uitkering

Appellant kreeg vanaf maart 1998 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Tegelijkertijd werd hem medegedeeld dat hij geen toeslag op dit pensioen zou ontvangen omdat zijn partner een uitkering op grond van de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) ontving, welke uitkering als inkomen in verband met arbeid op de toeslag in mindering werd gebracht.

Na een eerdere uitspraak van de Raad in juni 2000 werd het beleid van gedaagde aangepast, waardoor de WUV-uitkering vanaf 1 juni 2000 niet langer op de toeslag werd gekort. Dit leidde tot een herziening met terugwerkende kracht tot die datum. Appellant stelde echter dat de toeslag al vanaf maart 1998 volledig toegekend had moeten worden.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat rechtszekerheid een terugwerkende herziening vóór de datum van de beleidswijziging niet vereist. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat een rechterlijke uitspraak niet automatisch leidt tot herziening van alle eerdere beslissingen. De Raad acht het beleid van gedaagde en de marginale toetsing van de rechter passend en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant geen toeslag op zijn AOW-pensioen krijgt vanwege de WUV-uitkering van zijn partner.

Uitspraak

03/1598 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. dr. C.C.J. Aarts, advocaat te Schijndel, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 februari 2003, nr. AWB 01/2920 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 6 augustus 2004 heeft de gemachtigde van appellant de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 augustus 2004, waar appellant
- met kennisgeving - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. M. van der Ent, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 1 december 1997 is aan appellant met ingang van maart 1998 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Bij besluit van eveneens 1 december 1997 is aan appellant kenbaar gemaakt dat hij niet in aanmerking komt voor een toeslag op dit ouderdomspensioen omdat zijn partner een uitkering op grond van de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) ontving, welke uitkering als inkomen in verband met arbeid op de toeslag in mindering is gebracht.
Tegen beide besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
Bij uitspraak van 21 juni 2000 (LJN-nummer ZB8843) heeft de Raad geoordeeld dat het Inkomensbesluit AOW 1996 niet kan bewerkstelligen dat inkomen dat niet als “uit of in verband met arbeid” kan worden aangemerkt, wordt aangewezen als op de toeslag in mindering te brengen inkomen. Gedaagde heeft in deze uitspraak aanleiding gezien om een uitkering op grond van de WUV vanaf 1 juni 2000 niet meer te korten op de AOW-toeslag.
Als gevolg hiervan heeft gedaagde bij besluit van 14 maart 2001 met terugwerkende kracht tot 1 juni 2000 alsnog de maximale toeslag aan appellant toegekend.
Bij beschikking op bezwaar van 5 november 2001 heeft gedaagde het tegen het besluit van 14 maart 2001 ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.
In beroep is namens appellant betoogd dat herziening van de toeslag op het AOW-pensioen had moeten plaatsvinden met ingang van maart 1998, aangezien zijn partner de WUV-uitkering ook op dat moment al ontving en vanaf die datum volledige toeslag diende te worden toegekend.
Gedaagde is van mening op goede gronden en conform eigen beleid en jurisprudentie te hebben beslist. Ingevolge het beleid van gedaagde beslist hij, indien een rechtens onaantastbaar geworden beslissing bij nader inzien voor onjuist wordt gehouden door een wijziging in het beleid van gedaagde ten gunste van de belanghebbende, in beginsel per categorie van gevallen of reeds vastgestelde uitkeringen moeten worden herzien en zo ja, met welke terugwerkende kracht. Als het nieuwe beleid is gebaseerd op één rechterlijke uitspraak, zoals in de onderhavige zaak het geval is, zal gedaagde de beleidswijziging in het algemeen laten ingaan op de datum van die uitspraak.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - onder meer - het volgende overwogen, waarbij appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid:
" De rechtbank overweegt dienaangaande, in aansluiting op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, allereerst dat het enkele feit dat door een rechterlijke uitspraak aan een wettelijk voorschrift een bepaalde uitleg wordt gegeven of een bepaalde wijze van toepassen in strijd met dat wettelijk voorschrift wordt geacht, er niet toe kan leiden dat alle aan de uitspraak voorafgaande toepassingen van dat voorschrift alsnog in overeenstemming met die uitleg worden gebracht. Dergelijke verstrekkende gevolgen van deze rechterlijke uitspraken zouden het ook ten behoeve van de overheid geldende beginsel van de rechtszekerheid te zeer aantasten. De rechtbank wijst er in verband hiermee op dat er geen wettelijke voorschriften zijn die verweerder verplichten om naar aanleiding van een wijziging van de jurisprudentie, ten gunste van een belanghebbende terug te komen op een eerder genomen beslissing. Verweerder is overigens wel bevoegd om naar aanleiding van een wijziging in de jurisprudentie, onaantastbaar geworden beslissingen ten gunste van de belanghebbende te herzien. De rechter komt hierbij een marginale toetsing toe.
De rechtbank heeft geen strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen vaststellen, waaronder het door eisers gemachtigde aangestipte gelijkheidsbeginsel. De rechtbank acht in dit verband niet zonder betekenis dat eiser niet zelf, doch verweerder ambtshalve tot een beslissing in begunstigende zin is overgegaan. Verweerders beslissing om overeenkomstig zijn eigen beleid, te weigeren om de wijziging eerder dan per juni 2000 in te laten gaan, kan mitsdien de marginale toetsing doorstaan."
De Raad kan zich in hoofdzaak met dit oordeel verenigen en maakt dat tot het zijne.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad daarbij niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en
mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
RG