ECLI:NL:CRVB:2004:AR4115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens onjuiste toepassing zesmaandenjurisprudentie
De zaak betreft een geschil over de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkeringen aan een gedaagde over de periode 1997-1999. Het UWV had besloten een bedrag terug te vorderen wegens onjuiste uitkeringsbetalingen. De gedaagde maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna beroep werd ingesteld bij de rechtbank Utrecht. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en vernietigde het tweede besluit omdat het UWV onterecht een beleid hanteerde dat afweek van de zesmaandenjurisprudentie.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het UWV de zesmaandenjurisprudentie onjuist toepaste. De Raad oordeelde dat het UWV in het inlichtingenformulier van juli 1997 een eerste relevant signaal had moeten zien en dat terugvordering slechts over een periode van zes maanden daarna gerechtvaardigd was. Ook werd geoordeeld dat de gedaagde haar mededelingsplicht niet had geschonden en dat het beleid van het UWV, hoewel feitelijk gebaseerd op de oude jurisprudentie, toch van toepassing moest worden geacht.
De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten van de gedaagde en bepaalde een recht van € 409,- ten gunste van het UWV. Het hoger beroep werd daarmee afgewezen voor zover het de vernietiging van het terugvorderingsbesluit betrof, waarmee de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het terugvorderingsbesluit en veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten.