ECLI:NL:CRVB:2004:AR4407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.Th. Wolleswinkel
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van toelage en nevenactiviteiten in vertrekregeling ambtenaar AZR
Appellant, werkzaam als hoofd van een subafdeling binnen het Academisch Ziekenhuis Rotterdam (AZR), maakte bezwaar tegen het besluit van de Raad van Bestuur om hem geen toelage toe te kennen en tegen de regeling omtrent nevenwerkzaamheden in zijn vertrekregeling.
De Raad oordeelde dat de brief van 5 april 2001 een besluit bevatte dat verplichtingen inzake nevenwerkzaamheden oplegde. Appellant diende zijn bezwaar te laat in, waardoor dit niet-ontvankelijk werd verklaard. Ten aanzien van de toelage stelde appellant een beroep op het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar collega’s die wel een toelage ontvingen.
De Raad concludeerde dat de situaties niet vergelijkbaar waren: collega’s ontvingen toelagen op andere gronden, zoals het hoofd zijn van een subafdeling of compensatie voor particuliere praktijkinkomsten. Ook was geen sprake van nieuwe feiten die een herziening van de oorspronkelijke afwijzing rechtvaardigden.
Daarom bevestigde de Raad het bestreden besluit en wees het beroep van appellant af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de toelage wordt bevestigd.