ECLI:NL:CRVB:2004:AR4411
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Brief over onvervreemdbaarheid WW-uitkering is geen besluit in de zin van de Awb
Appellant had een pandrecht gevestigd op de WW-uitkering van een betrokkene ter zekerheid van huurbetalingen. Toen betrokkene niet meer aan zijn verplichtingen voldeed, verzocht appellant het UWV om betaling van een deel van de uitkering aan hem. Het UWV wees dit verzoek af met een brief waarin werd gewezen op de onvervreemdbaarheid van de WW-uitkering volgens artikel 40 WW Pro.
Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. In hoger beroep stelde appellant dat hij als pandhouder rechtstreeks aanspraak kon maken op de uitkering. De Centrale Raad van Beroep stelde echter vast dat de brief van 8 oktober 1997 geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro bevatte, omdat het geen publiekrechtelijke rechtshandeling betrof.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens bepaalde de Raad dat het UWV aan appellant een vergoeding moest betalen voor het gestorte recht. Hiermee werd bevestigd dat de WW-uitkering onvervreemdbaar is en dat een pandrecht daarop niet leidt tot een rechtstreeks vorderingsrecht jegens het UWV.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant tegen de brief over onvervreemdbaarheid van de WW-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard.