ECLI:NL:CRVB:2004:AR4701
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid en gedeeltelijke uitkeringsverlaging op grond van de WW
Appellant diende een WW-uitkeringsaanvraag in na ontslag per 1 januari 2001. Het UWV weigerde aanvankelijk de uitkering volledig omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door instemming met het ontslag zonder protest. Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd, maar later heroverwogen op basis van appellants gezondheidstoestand. Het UWV besloot tot een gedeeltelijke weigering door verlaging van de uitkering naar 35% gedurende 26 weken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zonder gegronde reden niet tegen het ontslag heeft geprotesteerd, terwijl voortzetting redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. Appellants onwetendheid over de noodzaak van toestemming voor ontslag en de mededeling van de werkgever dat protest zinloos was, zijn voor zijn rekening.
Echter, vanwege zijn medische gesteldheid kan hem dit verwijt niet in overwegende mate worden toegerekend. Daarom is de gedeeltelijke weigering van de uitkering conform artikel 27, eerste lid, WW gerechtvaardigd. Het hoger beroep tegen deze beslissing wordt ongegrond verklaard en het eerdere beroep tegen het oorspronkelijke besluit is niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nadere besluit ongegrond, waarbij de uitkering wordt verlaagd naar 35% gedurende 26 weken.