ECLI:NL:CRVB:2004:AR4757
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Begindatum fictieve opzegtermijn bij ontbinding arbeidsovereenkomst volgens Werkloosheidswet
In deze zaak staat centraal vanaf welk moment de fictieve opzegtermijn ingaat voor het recht op een WW-uitkering na ontbinding van een arbeidsovereenkomst. Appellant betoogde dat de fictieve opzegtermijn moet aanvang nemen na de tussenbeschikking van de kantonrechter, waarin het voornemen tot ontbinding werd uitgesproken. Gedaagde, het UWV, stelde dat de fictieve opzegtermijn pas ingaat na de eindbeschikking waarin de ontbinding definitief wordt uitgesproken.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en oordeelde dat de eindbeschikking van 15 februari 2001 bepalend is voor de aanvang van de fictieve opzegtermijn, omdat de tussenbeschikking slechts een voornemen bevatte en de ontbinding nog ingetrokken had kunnen worden. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat artikel 16, derde lid, onder b, van de Werkloosheidswet dit voorschrijft.
De Raad merkt op dat hoewel de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een andere visie heeft geuit in de parlementaire geschiedenis, de wettelijke tekst geen ruimte laat voor de door appellant voorgestane interpretatie. De Raad erkent dat verschillende werkwijzen van kantonrechters kunnen leiden tot ongelijke begindata van fictieve opzegtermijnen, maar stelt dat deze gevallen niet gelijk zijn en dat beleidsvrijheid ontbreekt. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de fictieve opzegtermijn begint na de eindbeschikking van de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.