ECLI:NL:CRVB:2004:AR4884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling definitieve vaststelling WIK-uitkering over 1999 volgens artikel 10 WIK
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het bezwaar tegen de definitieve vaststelling van zijn WIK-uitkering over 1999 ongegrond verklaarde. De uitkering was door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam vastgesteld op basis van het gezinsinkomen en de normbedragen zoals bepaald in de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK).
De Raad beoordeelde of de definitieve uitkering overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de WIK was berekend. Daarbij werd vastgesteld dat het College de uitkering correct had vastgesteld door het normbedrag per maand te verminderen met het gemiddeld maandinkomen van appellant en zijn partner, conform de wettelijke bepalingen. De appellant voerde aan dat het besluit in strijd was met de tekst van het toekenningsbesluit van 17 februari 2000, maar de Raad oordeelde dat dit geen rechtvaardiging bood voor een andere berekening.
Verder werd bevestigd dat het bedrag dat boven de definitieve uitkering was uitgekeerd als lening bleef bestaan en terugbetaald moest worden, zoals bepaald in artikel 10, eerste en derde lid, van de WIK. De Raad vond geen grond om het hoger beroep toe te wijzen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de definitieve WIK-uitkering over 1999 wordt bevestigd zoals vastgesteld.