ECLI:NL:CRVB:2004:AR4961
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en vermogenstoets
Appellante ontving sinds 1989 een bijstandsuitkering. Gedaagde beëindigde de uitkering per 9 april 2000 en trok het recht op bijstand over de periode 1 april 1999 tot 8 april 2000 in, omdat appellante beschikte over meer vermogen dan het vrij te laten bedrag en haar inlichtingenplicht had geschonden. Tevens werd een boete opgelegd wegens deze schending.
De Raad oordeelt dat appellante niet over de gehele periode beschikte over vermogen boven de vrijstelling, omdat onvoldoende bewijs is geleverd van de ontwikkeling van haar vermogen en de aflossing van schulden. Daarom wordt het besluit tot intrekking en beëindiging vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege de schending van de inlichtingenplicht.
De Raad bevestigt dat appellante haar informatieplicht heeft geschonden door de verkoopopbrengst van haar woning niet te melden en dat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij schulden had die het vermogen konden compenseren. De opgelegde boete wordt gehandhaafd omdat geen omstandigheden zijn gevonden die het opleggen ervan onrechtmatig maken.
Daarnaast veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten van appellante. De uitspraak bevestigt het belang van correcte informatieverstrekking bij het recht op bijstand en benadrukt dat het niet aannemelijk maken van schulden leidt tot terugvordering van onverschuldigde uitkeringen.
Uitkomst: Besluit tot intrekking en beëindiging van bijstand vernietigd voor te hoog vermogen, maar boete en rechtsgevolgen wegens schending inlichtingenplicht gehandhaafd.