ECLI:NL:CRVB:2004:AR5225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Recht op WW-uitkering bij werkzaamheden als zelfstandige en relevant arbeidsurenverlies
Appellant werkte voorafgaand aan 12 januari 2001 als werknemer en zelfstandige. Na beëindiging van zijn dienstverband stelde hij zich werkloos, maar verrichtte in week 3 van 2001 48 uur zelfstandige werkzaamheden. Volgens de UWV was er geen relevant arbeidsurenverlies en werd de WW-uitkering geweigerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwierp appellants stellingen over het aantal zelfstandige uren en de berekeningswijze van de vrij te laten uren. Appellant stelde in hoger beroep dat de berekening onjuist was en dat hij al eerder zelfstandige werkzaamheden verrichtte.
De Raad vernietigde het bestreden besluit omdat het op een onjuiste wettelijke grondslag berustte, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De Raad stelde vast dat appellant wel degelijk relevant arbeidsurenverlies leed en dus recht had op WW-uitkering, maar dat dit recht door de omvang van zijn zelfstandige werkzaamheden volgens artikel 20 WW Pro geheel is geëindigd.
Uitkomst: Appellant heeft recht op WW-uitkering wegens relevant arbeidsurenverlies, maar het recht eindigt door omvang zelfstandige werkzaamheden.