ECLI:NL:CRVB:2004:AR5511
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- M.M. van der Kade
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks betwisting medische beperkingen
Appellant, voormalig voltijds pluimveeslachter, viel in 1988 uit wegens psychische klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer. Na diverse herbeoordelingen stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) zijn uitkering per 8 augustus 2000 vast op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen, en stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank, welke het besluit eveneens bevestigde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij medisch ernstiger beperkt was dan vastgesteld, dat de onderzoeken van verzekeringsarts Smol en psychiater Van Eekeren onvoldoende zorgvuldig waren, en dat de rechtbank ten onrechte geen aanvullend medisch onderzoek had gelast. Tevens betwistte hij de geschiktheid van de aan hem voorgehouden functies op basis van handgeschreven aantekeningen.
De Raad overwoog dat appellant geen medische stukken had overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen en dat de bestaande medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd. De Raad achtte het niet aannemelijk dat de onderzoeken bevooroordeeld waren of tekortschoten. De handgeschreven aantekeningen bij het belastbaarheidspatroon waren niet onaanvaardbaar en gaven geen aanleiding tot het oordeel dat de grenzen van het belastbaarheidspatroon waren overschreden.
Gelet op deze overwegingen concludeerde de Raad dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.