ECLI:NL:CRVB:2004:AR5591

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3010 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Algemene bijstandswet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van woonkostentoeslag bij bijzondere bijstand en hypothecaire schuld

In deze zaak staat de hoogte van de toegekende bijzondere bijstand voor woonkosten centraal. Appellant betwistte dat de woonkostentoeslag niet hoger werd vastgesteld dan ƒ 290,-- per maand, waarbij hij stelde dat een hypothecaire schuld van ƒ 100.000,-- aan een derde partij in aanmerking genomen had moeten worden.

De rechtbank Arnhem had reeds geoordeeld dat deze schuld buiten beschouwing mocht blijven omdat er geen aflossingen of rente werden betaald, waardoor de schuld niet leidde tot hogere woonlasten. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel na beoordeling van de feiten en het ingebrachte verweer.

De Raad overweegt dat zonder daadwerkelijke lasten zoals rente of aflossing, er geen sprake is van kosten in de zin van artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet. De door appellant aangevoerde ondeugdelijke handelwijze van zijn accountant verandert hier niets aan. De Raad ziet geen reden om het beroep gegrond te verklaren en bevestigt het besluit van de gemeente Nijmegen.

Uitkomst: De woonkostentoeslag is terecht vastgesteld zonder rekening te houden met een niet-afgeloste en niet-rentebetalende hypothecaire schuld.

Uitspraak

02/3010 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.J.M. Houben, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 april 2002, reg.nr. Awb 01/783.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is nog een besluit van gedaagde aan de Raad overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 september 2004, waar namens appellant is verschenen mr. P.P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.J.F. Widdershoven, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.
II. MOTIVERING
De feiten die in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde de aan appellant met ingang van 21 juni 2000 toegekende bijzondere bijstand voor woonkosten terecht niet hoger heeft vastgesteld dan op een bedrag van ƒ 290,-- per maand.
In het bijzonder verschillen partijen van mening over de vraag of gedaagde bij de vaststelling van de woonkostentoeslag terecht een door appellant gestelde hypothecaire schuld van ƒ 100.000,-- van appellant aan mevrouw [naam mevrouw] (hierna: [naam mevrouw]) buiten beschouwing heeft gelaten.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank die vraag bevestigend beantwoord en heeft zij het beroep tegen het besluit van gedaagde van 16 maart 2001 ongegrond verklaard.
Mede gelet op hetgeen namens appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
Nu appellant heeft erkend dat ten tijde hier van belang ten aanzien van de gestelde schuld aan [naam mevrouw] geen enkele aflossing heeft plaatsgevonden en dat er over die schuld ook geen rente is betaald, komt de Raad tot de conclusie dat gedaagde de aan die schuld beweerdelijk verbonden rente- en aflossingsverplichtingen bij de berekening van de woonkostentoeslag terecht buiten beschouwing heeft gelaten. Hieruit volgt immers dat de schuld aan [naam mevrouw] niet heeft geleid tot hogere woonlasten van appellant, zodat er ten tijde van de onderhavige aanvraag, 21 juni 2000, in zoverre ook geen sprake was van kosten als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet.
De vanwege appellant eerst ter zitting van de Raad naar voren gebrachte, beweerdelijk ondeugdelijke handelwijze van de toenmalige accountant van appellant, doet hieraan niet af.
In hetgeen overigens namens appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 november 2004.
(get) Th.C. van Sloten
(get) S.W.H. Peeters
MdH41028