ECLI:NL:CRVB:2004:AR5650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- K. Zeilemaker
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verhoging buitenlandtoelage voor ongehuwde militair op Nederlandse Antillen
Appellant, een militair werkzaam bij de Koninklijke Marine, was geplaatst op de Nederlandse Antillen en ontving daarvoor een buitenlandtoelage. Hij verzocht om verhoging van deze toelage op grond van de hardheidsclausule in artikel 41 van Pro het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD), omdat hij als ongehuwde walplaatser vond dat de regeling niet voldoende in zijn situatie voorzag.
De Staatssecretaris van Defensie wees dit verzoek af, en ook de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de regeling onredelijk was en dat er geen onderscheid werd gemaakt tussen walplaatser en boordplaatser, terwijl dit volgens hem tot onrechtvaardige verschillen leidde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het VBD een categorale regeling kent die rekening houdt met de positie van ongehuwde militairen, waarbij het éloignementpercentage voor wal- en boordplaatser bewust gelijk is gehouden om huisvestingskeuzes niet te beïnvloeden. De Raad vond dat artikel 41 VBD Pro alleen ziet op individuele gevallen met bijzondere omstandigheden, terwijl appellant slechts zijn huisvestingssituatie aanvoerde. Ook het feit dat hij een van de weinige walplaatsers was, maakte geen wezenlijk verschil.
Daarom bevestigde de Raad het bestreden besluit en zag geen reden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het verzoek tot verhoging van de buitenlandtoelage werd definitief afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot verhoging van de buitenlandtoelage op grond van artikel 41 VBD wordt afgewezen.