ECLI:NL:CRVB:2004:AR5670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Wajong-uitkering wegens niet gemelde inkomsten uit arbeid
Appellant ontving een Wajong-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Uit onderzoek van de Opsporingsdienst werknemersfraude en het strafdossier bleek dat appellant in de periode van 1 januari 1999 tot 25 november 1999 werkzaamheden verrichtte in de handel en transport van vuurwerk, met een netto winst van ƒ 362.590,-. Deze inkomsten werden niet aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gemeld.
Een arbeidsdeskundige rapporteerde dat appellant, gezien zijn werkelijke inkomsten, minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Op basis hiervan besloot het UWV de uitkering over de genoemde periode niet uit te betalen en de reeds betaalde bedragen terug te vorderen. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door zowel het UWV als de rechtbank.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat de vastgestelde inkomsten op zorgvuldige wijze waren vastgesteld, ook al baseerde dit zich deels op schattingen vanwege het ontbreken van concrete gegevens van appellant. De Raad oordeelde dat de toepassing van artikel 50 Wajong Pro met terugwerkende kracht gerechtvaardigd was en dat er geen dringende redenen waren om hiervan af te wijken, ondanks dat appellant in detentie zat en het wederrechtelijk verkregen voordeel niet was ontnomen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp de argumenten van appellant dat de inkomsten niet geheel aan hem toegerekend konden worden of dat onvoldoende rekening was gehouden met onkosten. De terugvordering van de onverschuldigde uitkering werd daarmee gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigde Wajong-uitkering wegens niet gemelde inkomsten uit arbeid.