ECLI:NL:CRVB:2004:AR5920

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2318 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1b VreemdelingenwetArt. 7 lid 3 Algemene bijstandswetArt. 1 Besluit gelijkstelling Abw, Ioaw en IoazArt. 11 Europees Verdrag voor Sociale en Medische BijstandArt. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland

Appellant, van Turkse nationaliteit, verzocht op 20 december 2000 om een bijstandsuitkering. Deze aanvraag werd op 11 januari 2001 afgewezen door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef in de zin van de Algemene bijstandswet (Abw).

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 20 april 2001 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank ’s-Gravenhage, die het beroep ongegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat appellant geen recht had op bijstand omdat hij geen vreemdeling was in de zin van de Vreemdelingenwet en niet gelijkgesteld kon worden aan een Nederlander volgens de Abw.

In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat geen rechtmatig verblijf volgens de Abw aanwezig was. Ook het beroep op artikel 11 van Pro het Europees Verdrag voor Sociale en Medische Bijstand werd verworpen omdat appellant niet voldeed aan de vereisten van rechtmatig verblijf.

De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het besluit tot weigering van de bijstandsuitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de bijstandsuitkering wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/2318 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.
Namens appellant heeft mr. A. Bozbey, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 maart 2002, reg.nr. 01/1923.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft appellant een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 oktober 2004, waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.
II. MOTIVERING
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 11 januari 2001 heeft gedaagde de aanvraag van 20 december 2000 van appellant, van Turkse nationaliteit, om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) afgewezen op de grond dat appellant met ingang van die datum niet rechtmatig, in de zin van de Abw, in Nederland verblijft.
Bij besluit van 20 april 2001 heeft gedaagde het door appellant tegen het besluit van
11 januari 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het besluit van 20 april 2000 beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dit beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op grond van het in die uitspraak weergegeven samenstel van Nederlandse rechtsregels geoordeeld dat appellant ten tijde hier van belang geen recht kon doen gelden op een uitkering ingevolge de Abw, aangezien hij geen vreemdeling was in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw) (oud) en hij ook niet op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid, (oud) van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling Abw, Ioaw en Ioaz (oud) (Stb. 1998, 308) met een Nederlander kon worden gelijkgesteld.
De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 juni 2001, gepubliceerd in RSV 2001/188, verder geoordeeld dat met de in geding zijnde weigering van de bijstandsuitkering geen sprake is van een niet gerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant op 1 juli 1998 een verblijfsrechtelijke procedure in Nederland mocht afwachten en dat deze situatie ten tijde van de behandeling van het beroep door de rechtbank nog steeds gold. Voorts heeft appellant eerst in december 2000 om een bijstandsuitkering verzocht. De rechtbank is in het voetspoor van voornoemde uitspraak van oordeel dat de gerechtvaardigdheid van het in artikel 7 van Pro de Abw gemaakte onderscheid naar nationaliteit voor appellant ten volle opgaat en appellant aan artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten geen recht op een bijstandsuitkering kan ontlenen.
Voorts heeft de rechtbank in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2002, onder meer gepubliceerd in USZ 2002/95, geoordeeld dat de beëindiging van bijstand niet strijdig is met artikel 11 van Pro het Europees Verdrag voor Sociale en Medische Bijstand (EVSMB) nu geen sprake is van een rechtmatig verblijf als bedoeld in dat verdrag.
De Raad heeft in hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding kunnen vinden om tot een ander oordeel te komen. Hij onderschrijft daarbij de overwegingen in de aangevallen uitspraak. Met betrekking tot het beroep dat appellant in hoger beroep nog doet op artikel 11 van Pro het EVSMB volstaat de Raad met te verwijzen naar onder meer zijn uitspraak van 16 april 2002, gepubliceerd in JAWB 2002/83, waarin, in navolging van het door de rechtbank genoemde arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2002, is overwogen dat indien betrokkene op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3,van de Vreemdelingenwet in Nederland verbleef, niet kan worden gezegd dat is voldaan aan het vereiste dat wordt beschikt over een door de Staat verstrekte verblijfs- of andere vergunning in zin van de genoemde verdragsbepaling.
Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) L. Jörg.
MvK02114