ECLI:NL:CRVB:2004:AR5920
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland
Appellant, van Turkse nationaliteit, verzocht op 20 december 2000 om een bijstandsuitkering. Deze aanvraag werd op 11 januari 2001 afgewezen door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef in de zin van de Algemene bijstandswet (Abw).
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 20 april 2001 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank ’s-Gravenhage, die het beroep ongegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat appellant geen recht had op bijstand omdat hij geen vreemdeling was in de zin van de Vreemdelingenwet en niet gelijkgesteld kon worden aan een Nederlander volgens de Abw.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat geen rechtmatig verblijf volgens de Abw aanwezig was. Ook het beroep op artikel 11 van Pro het Europees Verdrag voor Sociale en Medische Bijstand werd verworpen omdat appellant niet voldeed aan de vereisten van rechtmatig verblijf.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het besluit tot weigering van de bijstandsuitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de bijstandsuitkering wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf.