ECLI:NL:HR:2002:AD6622
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- J.B. Fleers
- A.G. Pos
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bijstandsverlening aan vreemdelingen in afwachting van toelatingsbeslissing
De zaak betreft de vraag of vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven in afwachting van een beslissing op hun toelatingsaanvraag, en die onderdanen zijn van verdragsstaten van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB), recht hebben op bijstand gelijk aan die van Nederlanders. Eiser en een stichting vorderden in kort geding dat de Staat alle uitvoeringsinstanties zou berichten dat deze vreemdelingen gelijkgesteld moeten worden met Nederlanders voor de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).
De President van de rechtbank wees de vordering toe, maar het Hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af. De Hoge Raad overwoog dat het EVSMB een discriminatieverbod bevat voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven en onderdanen zijn van verdragsstaten, maar dat rechtmatig verblijf in de zin van het verdrag vereist dat de vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning of een vergelijkbare vergunning.
Vreemdelingen die slechts op grond van art. 1b lid 3 Vreemdelingenwet rechtmatig verblijven, omdat zij in afwachting zijn van een toelatingsbeslissing en niet worden uitgezet, beschikken niet over een verblijfsvergunning in de zin van het EVSMB. Daarom legt het verdrag geen verplichting op tot bijstandsverlening aan deze categorie vreemdelingen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eisers in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat vreemdelingen zonder verblijfsvergunning geen recht op bijstand gelijk aan Nederlanders hebben op grond van het EVSMB.