ECLI:NL:CRVB:2004:AR6567
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens arbeidsinkomsten
Appellant ontving vanaf 8 september 1994 een WAO-uitkering, berekend op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Tegelijkertijd verrichtte hij werkzaamheden bij een sociale werkplaats. Gedaagde besloot op grond van artikel 44 WAO Pro om de uitkering vanaf 8 september 1999 te berekenen alsof appellant was ingedeeld in de klasse 25 tot 35%, wat leidde tot een terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.
Appellant voerde aan dat hij steeds correcte gegevens had verstrekt en mocht vertrouwen op een juiste afstemming tussen gedaagde en werkgever, en dat het hem niet duidelijk was dat hij teveel had ontvangen. De Raad wees stukken die te laat waren ingediend buiten beschouwing en stelde vast dat appellant geen rechtsmiddel had aangewend tegen het besluit van 10 april 2001.
De Raad oordeelde dat de terugvordering op grond van artikel 57 WAO Pro terecht was, omdat geen dringende redenen waren gesteld of gebleken die een gedeeltelijke of volledige kwijtschelding rechtvaardigen. De financiële en sociale consequenties van de terugvordering waren niet onaanvaardbaar voor appellant.
Daarom werd het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering over de periode 8 september 1999 tot en met 31 mei 2000 wordt bevestigd.