ECLI:NL:CRVB:2004:AR7044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering na ontslag op staande voet en terugvordering voorschotten
Appellant werd op 21 juli 1997 op staande voet ontslagen wegens het zonder toestemming verlaten van de werkplek. Hij diende een WW-uitkering aan en ontving voorschotten, maar de kantonrechter en rechtbank verklaarden het ontslag gerechtvaardigd. Op basis hiervan oordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat appellant verwijtbaar werkloos was en legde een blijvende gehele weigering van de WW-uitkering op.
Appellant voerde bezwaar aan tegen deze besluiten en stelde dat het Uwv zich niet op de vonnissen mocht baseren en dat het lange tijdsverloop tussen aanvraag en besluit onzorgvuldig was. De Raad overwoog dat het Uwv terecht uitging van de rechterlijke uitspraken en dat appellant geen feiten had aangevoerd die deze uitspraken in twijfel trokken.
Verder vond de Raad geen dringende reden om af te zien van de maatregel ondanks het tijdsverloop, mede omdat appellant niet tijdig informatie verstrekte. Ook de terugvordering van onverschuldigde voorschotten werd gegrond verklaard. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering en de terugvordering van voorschotten.