ECLI:NL:CRVB:2004:AR7123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag op staande voet wegens verwijtbaar gedrag en werkloosheid
Appellant werd op 25 oktober 2001 op staande voet ontslagen wegens een grap met een brief met wit poeder gericht aan een collega, wat in de context van de toen actuele miltvuurdreiging als ernstig werd beschouwd. Dit leidde tot een strafrechtelijke veroordeling wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven.
De werkgever ontbond de arbeidsovereenkomst op grond van deze dringende reden, wat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) als verwijtbare werkloosheid werd aangemerkt. Appellant stelde in hoger beroep dat de strafrechtelijke veroordeling was komen te vervallen, maar de Raad oordeelde dat ook andere feiten en omstandigheden relevant zijn voor de beoordeling van verwijtbaarheid.
De Raad concludeerde dat appellant zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs moest begrijpen dat dit tot ontslag zou leiden. Er was geen sprake van omstandigheden die het verwijt aan appellant konden wegnemen. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd, zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt bevestigd en appellant is verwijtbaar werkloos geworden.