ECLI:NL:CRVB:2004:AR7906
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Onjuiste vaststelling gemiddeld aantal arbeidsuren en dagloon in WW-uitkering
Appellante, werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, kreeg een WW-uitkering toegekend op basis van een gemiddeld aantal arbeidsuren van 33,48 per week en een dagloon van ƒ190,76. Gedaagde, het UWV, gebruikte daarbij het Besluit GAA uitzendkrachten en gelijkgestelde werknemers voor de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren en paste artikel 10 van Pro de Dagloonregels toe voor de dagloonvaststelling.
Appellante voerde aan dat zij niet tot de kring van het Besluit GAA behoort en dat de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren onjuist was omdat haar relatief veel vakantieverlof was toegekend dat onvoldoende werd gecompenseerd. De Raad oordeelde dat gedaagde onterecht het dagloon had verlaagd en dat de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren niet juist was vastgesteld omdat nauwkeurig kan worden bepaald welke niet-gewerkte uren schadeloos zijn gesteld.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat gedaagde een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit over het gemiddeld aantal arbeidsuren en het dagloon wordt vernietigd en gedaagde moet een nieuw besluit nemen.