ECLI:NL:CRVB:2004:AR8123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid en herleving maatregel
Appellant was ontslagen uit een vaste dienstbetrekking per 2 april 2001, wat als verwijtbaar werd aangemerkt. Hierdoor weigerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vanaf 19 september 2001 de uitbetaling van de WW-uitkering die appellant vanwege werkloosheid vanaf die datum had gekregen. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat deze weigering terecht was en dat de maatregel herleefde toen appellant op 29 oktober 2001 opnieuw werkloos werd na een korte periode via een uitzendbureau.
Appellant stelde in hoger beroep dat het doorwerken van de maatregel onredelijk was, omdat hij geconfronteerd zou worden met een langdurige sanctie. De Centrale Raad van Beroep bevestigde echter de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de doorwerking van de maatregel dwingend is voorgeschreven in artikel 28 van Pro de Werkloosheidswet (WW) en dat het Uwv niet bevoegd is hiervan af te wijken.
De Raad overwoog verder dat de doorwerking van de maatregel niet langer duurt dan totdat een nieuw recht op WW-uitkering is opgebouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering en de herleving van de maatregel wegens verwijtbare werkloosheid.