ECLI:NL:CRVB:2004:AR8552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1989 bijstand als alleenstaande. Na een onderzoek van de sociale recherche concludeerde de gemeente dat zij vanaf 1994 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner, zonder dit te melden. Hierdoor werd haar bijstandsuitkering vanaf 1 juli 1997 ingetrokken en werden kosten teruggevorderd.
De Raad oordeelde dat het rapport en verklaringen van appellante en haar partner voldoende bewijs leverden van gezamenlijke huisvesting en wederzijdse zorg. Objectieve criteria zoals het hoofdverblijf, water- en gasverbruik en getuigenverklaringen ondersteunden dit standpunt. Het feit dat zij op verschillende adressen stonden ingeschreven deed hier niet aan af.
De Raad verwierp het verweer van appellante, waaronder het betwisten van verklaringen en verwijzing naar een strafrechtelijke vrijspraak. De bestuursrechter is niet gebonden aan strafrechtelijke uitspraken en hanteert andere rechtsvragen en procesregels.
De intrekking van de bijstand en terugvordering waren terecht, omdat appellante als gehuwd moest worden beschouwd en zij haar inlichtingenplicht had geschonden. Er waren geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering van kosten wegens verzwegen gezamenlijke huishouding worden bevestigd.