ECLI:NL:CRVB:2006:AV1956
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling weigering uitvoering bijstandsuitkeringsbesluit bij gezamenlijke huishouding
De zaak betreft een hoger beroep van het College van burgemeester en wethouders van Almere tegen een uitspraak van de rechtbank Zwolle, die het besluit tot intrekking van bijstand op grond van vermeende gezamenlijke huishouding deels vernietigde. De gemeente had het recht op bijstand van gedaagde over de periode van 1 oktober 1997 tot 15 april 2000 herzien en teruggevorderd wegens het niet melden van samenwoning met een partner.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor gezamenlijke huishouding in de periode tot 27 maart 1998. De gemeente stelde dat een strafrechtelijke uitspraak van het Gerechtshof Arnhem bewezen had verklaard dat gedaagde samenwoonde met de partner, maar de Raad oordeelde dat de bestuursrechter niet gebonden is aan strafrechtelijke uitspraken en dat het bewijs onvoldoende was om de gezamenlijke huishouding aan te nemen.
Verder werd geoordeeld dat het besluit van 10 maart 2004 waarbij de gemeente weigerde uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank, als een bestuursbesluit moet worden gezien en dat dit besluit vernietigd moet worden omdat het niet conform de wet was. De gemeente werd veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit en tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat geen gezamenlijke huishouding bestond in de betwiste periode en vernietigt het besluit van de gemeente om niet over te gaan tot uitvoering van de uitspraak van de rechtbank.