ECLI:NL:CRVB:2004:AS1900
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na instemming met ontslag
Appellant was sinds 1955 werkzaam in de bouw en werkte laatstelijk als opperman bij Köster GmbH in Duitsland. Vanwege lichamelijke belasting stelde de werkgever beëindiging van het dienstverband per 1 november 2000 voor, waarmee appellant instemde vanwege zijn medische situatie en leeftijd. Hij vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid op grond van de Werkloosheidswet (WW).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant redelijkerwijs het dienstverband had kunnen voortzetten, omdat de door hem aangevoerde redenen, zoals een vervoersprobleem en onvermogen om zijn functie naar behoren te vervullen, niet voldoende waren om instemming met ontslag te rechtvaardigen.
De Raad stelde vast dat appellant geen pogingen had ondernomen om het vervoersprobleem op te lossen en dat de afstand naar de werkgever op andere wijze dan per auto kon worden overbrugd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering werd daarom bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.