ECLI:NL:CRVB:2004:AS2089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken verblijfsvergunning
Appellant diende op 20 augustus 1998 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Deze aanvraag werd door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam afgewezen omdat appellant niet beschikte over een verblijfsvergunning. Appellant voerde aan dat hij op grond van artikel 7, derde lid (oud) van de Abw, in samenhang met de Koppelingswet en eerdere uitspraken van de Raad, recht had op bijstand. Hij wees erop dat hij op 25 juni 1998 een aanvraag voor een verblijfsvergunning had ingediend en dat hij ook een aanvraag had gedaan op grond van de Tijdelijke regeling witte illegalen.
De Raad oordeelde dat de Koppelingswet volledig van toepassing is op appellant, aangezien zijn aanvraag na 1 juli 1998 werd ingediend en hij als vreemdeling viel onder artikel 1b van de Vreemdelingenwet (oud). De Raad stelde vast dat appellant ten tijde van de aanvraag niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat de weigering van bijstand niet in strijd was met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Hoewel appellant later een verblijfsvergunning kreeg op grond van de Tijdelijke regeling witte illegalen, was deze met terugwerkende kracht toegekend vanaf 18 november 1999, wat niet relevant was voor de beoordeling van de aanvraag uit 1998.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep van appellant ongegrond had verklaard. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsuitkering wegens het ontbreken van een verblijfsvergunning wordt bevestigd.