ECLI:NL:CRVB:2004:AS2616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Blijvende weigering WW-uitkering wegens ontslag zonder zekerheid op baan van zes maanden
Gedaagde, die eerder een WAO-uitkering ontving vanwege arbeidsongeschiktheid, trad op 23 mei 2001 in dienst bij een agrarisch loonbedrijf voor een half jaar met een proeftijd. Op 11 juni 2001 eindigde deze arbeidsovereenkomst en daarna werkte hij via een uitzendbureau tot 15 juli 2001. Gedaagde vroeg vervolgens een WW-uitkering aan. Appellant, het UWV, weigerde de uitkering blijvend omdat gedaagde ontslag had genomen zonder zekerheid op een baan van ten minste zes maanden, waardoor hij een voorzienbaar werkloosheidsrisico had genomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat medisch gezien geen beletselen bestonden voor voortzetting van het dienstverband en dat het initiatief tot beëindiging niet zonder meer bij gedaagde lag. De Raad stelde vast dat het werk niet te zwaar was en dat voortzetting redelijkerwijs van gedaagde kon worden verlangd.
De Raad verklaarde het beroep bij de rechtbank ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft de weigering van de WW-uitkering in stand vanwege het ontbreken van zekerheid op een baan van minimaal zes maanden na het ontslag.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geweigerd omdat gedaagde ontslag nam zonder zekerheid op een baan van ten minste zes maanden.