ECLI:NL:CRVB:2005:AS2686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Onjuiste vaststelling wachttijd bij WAO-uitkering wegens ziekte en bevalling
Gedaagde, een ziekenverzorgster, staakte haar werkzaamheden op 16 februari 1999 vanwege reumaklachten en was op dat moment zwanger. Het UWV weigerde een WAO-uitkering omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn na afloop van de wachttijd op 16 februari 2000. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat ten onrechte de periode van ziekengeld wegens bevalling bij de wachttijd was betrokken.
Het UWV stelde in hoger beroep dat deze periode wel meegeteld moest worden, maar wijzigde later dit standpunt en gaf een nieuw besluit af waarbij de uitkering vanaf 6 juni 2000 werd geweigerd. De Raad verklaarde het hoger beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en vernietigde het tweede besluit wegens strijd met de Awb, omdat de medische beperkingen van gedaagde waren onderschat.
De Raad bepaalde dat het UWV een nieuwe beslissing moet nemen over de aanspraken van gedaagde vanaf 6 juni 2000. Tevens werd vastgesteld dat het UWV nalatig was met het betalen van de uitkering over de periode van 16 februari 2000 tot 5 juni 2000, waardoor wettelijke rente verschuldigd is. Een verzoek tot schadevergoeding vanaf 6 juni 2000 werd afgewezen wegens onvoldoende inzicht in de schade.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk verklaard, het tweede besluit vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen en schadevergoeding betalen.