ECLI:NL:CRVB:2003:AG0220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Geen discriminatie bij berekening wachttijd WAO door uitsluiting bevallingsziekengeld
Appellante was arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. Zij stelde dat de wachttijd van 52 weken WAO pas moest ingaan na haar bevalling en de periode van ziekengeld wegens bevalling niet meegeteld mocht worden. De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het meetellen van de bevallingsziekengeldperiode voor de wachttijd nadelig is voor vrouwen en daarmee directe discriminatie inhoudt.
De Raad baseerde zich op artikel 29a Ziektewet en artikel 19 WAO Pro en stelde vast dat het bevallingsziekengeld wordt toegekend zonder dat sprake hoeft te zijn van ziekte in de zin van arbeidsongeschiktheid. Hierdoor worden vrouwen benadeeld omdat alleen zij aanspraak maken op deze vorm van ziekengeld. De Raad verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen die directe discriminatie verbiedt.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de wachttijd voor de WAO niet mag worden berekend inclusief de periode van ziekengeld wegens bevalling. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de periode van ziekengeld wegens bevalling niet mag meetellen voor de wachttijd van 52 weken WAO wegens directe discriminatie.