Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3618

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/664 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Invoeringswet)Werkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat voortzetting dienstverband niet kan worden gevergd; geen verwijtbare werkloosheid

De zaak betreft een geschil over de weigering van een WW-uitkering aan gedaagde, omdat appellant meende dat gedaagde verwijtbaar werkloos was geworden door zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vragen zonder dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

De rechtbank had het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het besluit van appellant vernietigd. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat voortzetting van het dienstverband niet van gedaagde kon worden gevergd. Dit oordeel is gebaseerd op medische adviezen van huisarts, bedrijfsarts, bedrijfsmaatschappelijk werker en bezwaarverzekeringsarts, en de verstoring van de arbeidsverhouding.

De Raad oordeelt dat gedaagde zijn besluit om ontslag te nemen zorgvuldig heeft genomen en dat er geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. Het hoger beroep van appellant wordt daarom afgewezen. Tevens wordt appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en wordt een recht geheven van € 409,-- ten laste van appellant.

Uitkomst: Hoger beroep van appellant wordt afgewezen; voortzetting dienstverband kon niet worden gevergd en geen verwijtbare werkloosheid.

Uitspraak

03/664 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 6 januari 2003 onder nummer SBR 02/73 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 december 2004, waar voor appellant is verschenen mr. M.J. van Steenwijk, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor een uitgebreidere weergave van de van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
Appellant heeft bij besluit van 9 juli 2001, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit van 23 november 2001, geweigerd gedaagde een WW-uitkering te verstrekken, omdat gedaagde naar zijn mening verwijtbaar werkloos was geworden uit zijn dienstbetrekking bij Maars Productie B.V. (hierna te noemen: Maars) door ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vragen aan de kantonrechter zonder dat aan voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden, dat die voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
De rechtbank heeft gedaagdes beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant veroordeeld tot vergoeding aan gedaagde van het griffierecht en tot betaling van de door gedaagde gemaakte proceskosten. De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin gedaagde als eiser is aangeduid, onder meer het volgende overwogen:
"Alle hiervoor aan de orde gekomen feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat voortzetting van het dienstverband niet in redelijkheid van eiser kon worden gevergd. Niet alleen eiser zelf was de mening toegedaan dat er uit gezondheidsoverwegingen een einde moest komen aan de arbeidsovereenkomst, maar deze mening wordt gesteund door hetgeen de huisarts, de bedrijfsarts, de bedrijfsmaatschappelijk werker en (na afloop) de bezwaarverzekeringsarts naar voren hebben gebracht. Deze omstandigheid, gevoegd bij het feit dat de arbeidsverhouding reeds geruime tijd verstoord was en dat niet gebleken is dat de werkgever binnen afzienbare tijd een ontslagprocedure in gang zou zetten, maakt dat moet worden geoordeeld dat eiser zijn besluit om ontslag te nemen op zorgvuldige wijze heeft genomen en dat niet kan worden geoordeeld dat eiser zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat hij verwijtbaar werkloos is geworden."
Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden. Hij heeft daartoe, kort samengevat, zijn in het bestreden besluit ingenomen standpunt herhaald en gesteld dat er voor gedaagde geen acute medische noodzaak was om de dienstbetrekking te beëindigen.
De Raad onderschrijft, gelet op de voorhanden gegevens, het oordeel van de rechtbank en stelt zich achter de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Dit betekent dat ook naar het oordeel van de Raad voortzetting van het dienstverband niet van gedaagde kon worden gevergd. Er is derhalve geen sprake van verwijtbare werkloosheid.
Gelet op het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad ziet aanleiding om appellant met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de aan de zijde van gedaagde gemaakte kosten in hoger beroep, begroot op € 11,10 aan reiskosten en op € 51,52 aan verletkosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 62,62, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 409,--wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.D.F. de Moor.