ECLI:NL:CRVB:2005:AS4558
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeende benadelingshandeling bij ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellant was sinds februari 2000 in dienst bij een werkgever en de arbeidsovereenkomst werd op verzoek van de werkgever ontbonden per 1 mei 2001, met een vergoeding van één maand salaris. Appellant vroeg een WW-uitkering aan vanaf 21 mei 2001, die door het UWV werd toegekend met uitzondering van de periode tot 1 juli 2001 vanwege een vermeende benadelingshandeling.
Het UWV stelde dat appellant geen rekening had gehouden met de fictieve opzegtermijn bij de ontbinding, waardoor hij te vroeg een WW-uitkering had aangevraagd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en het besluit van het UWV.
De Raad oordeelde dat het enkele feit dat appellant niet had gevraagd om rekening te houden met de fictieve opzegtermijn geen benadelingshandeling oplevert. Bovendien had appellant goede redenen om genoegen te nemen met de toegekende vergoeding vanwege de financiële situatie van de werkgever en het naderende faillissement.
De Raad bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, waarbij ook de schadevergoedingsvordering van appellant in verband met het niet betalen van de uitkering vanaf 1 juni 2001 moet worden betrokken. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit van het UWV en beveelt een nieuw besluit op bezwaar waarbij de WW-uitkering correct wordt toegekend.