ECLI:NL:CRVB:2005:AS4580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloosheid na niet accepteren passende arbeid
Appellante was sinds 1977 werkzaam bij haar werkgever, laatstelijk als storemanager, maar vanaf 1996 traden problemen op in haar functioneren. In april 1999 werd zij ontheven van een deel van haar leidinggevende taken en in december 2000 vond een eindejaarsgesprek plaats waarin de werkgever opnieuw ontevredenheid uitte over haar functioneren. Appellante meldde zich vervolgens ziek.
In juni 2001 bood de werkgever haar een functie als verkoopmedewerkster aan met behoud van salaris, welke zij weigerde. De arbeidsovereenkomst werd daarop ontbonden door de kantonrechter. Appellante vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het niet accepteren van de passende functie verwijtbaar was, mede omdat er geen bewijs was dat het functioneren tussen april 1999 en december 2000 goed was. Ook vond de Raad dat het samenwerken met dezelfde leidinggevenden onvoldoende zwaarwegend was om het weigeren van de functie te rechtvaardigen.
De Raad concludeerde dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat haar gedrag het ontslag tot gevolg zou hebben en dat het aanbod van passende arbeid geaccepteerd had moeten worden. De weigering van de WW-uitkering was daarom terecht.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid na het niet accepteren van passende arbeid.