ECLI:NL:CRVB:2005:AS4603
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid na ziekmelding
Appellante ontving aanvankelijk een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid, die per 12 maart 2001 werd beëindigd omdat zij volgens het UWV niet langer arbeidsongeschikt was. Haar WW-uitkering werd daarop voortgezet, maar met ingang van 27 april 2001 beëindigde het UWV deze uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid, nadat appellante zich ziek had gemeld.
Appellante voerde aan dat zij wel beschikbaar was voor passend werk, maar de Raad stelde vast dat zij vanaf 27 april 2001 geen sollicitatieactiviteiten had verricht en zich ziek had gemeld, wat bleek uit werkbriefjes en ingevulde formulieren. Haar houding en gedrag gaven ondubbelzinnig aan dat zij zich niet beschikbaar stelde voor de arbeidsmarkt.
De rechtbank had het bezwaar van appellante tegen de beëindiging van de uitkering ongegrond verklaard, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de WW-uitkering terecht was beëindigd omdat appellante niet beschikbaar was voor arbeid in de relevante periode.
Uitkomst: De WW-uitkering van appellante is terecht beëindigd per 27 april 2001 wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid.