ECLI:NL:CRVB:2005:AS5716
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en weigering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en niet-ontvankelijkheid bezwaar
Appellante ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Na onderzoek door de gemeente ’s-Gravenhage werd vastgesteld dat zij met haar partner een gezamenlijke huishouding voerde, waardoor haar uitkering per 1 september 2000 werd beëindigd.
Appellante stelde hoger beroep in tegen deze beëindiging en tegen de afwijzing van een nieuwe aanvraag algemene bijstand en bijzondere bijstand. De Raad oordeelde dat de beëindiging terecht was omdat de partner feitelijk in haar woning verbleef, ondanks dat zij beiden eigen woonruimte hadden. De verklaringen van appellante en haar partner en het huisbezoek bevestigden dit.
Ten aanzien van de nieuwe aanvraag algemene bijstand stelde de Raad vast dat er wel degelijk sprake was van gewijzigde omstandigheden, waardoor het besluit tot afwijzing van 21 september 2001 niet deugdelijke motivering bevatte en vernietigd werd. Het bezwaar tegen de weigering van bijzondere bijstand werd echter niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De Raad veroordeelde de gemeente ’s-Gravenhage in de proceskosten en bepaalde dat de gemeente het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.
Uitkomst: Beëindiging bijstand bevestigd, nieuw besluit over afwijzing algemene bijstand vereist, bezwaar bijzondere bijstand niet-ontvankelijk.