ECLI:NL:CRVB:2005:AS5836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit onterecht verstrekte WW-uitkering wegens verrichte arbeid
Appellant heeft van 1995 tot 1999 een WW-uitkering ontvangen. Naar aanleiding van een melding dat appellant arbeid verrichtte zonder dit te melden, heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een onderzoek ingesteld. Dit leidde tot een besluit dat appellant ten onrechte WW-uitkeringen ontving over de periode 18 februari 1998 tot en met 12 januari 1999.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat hij slechts enkele dagen proef heeft gewerkt en dat de getuigenverklaringen niet consistent zijn. Ook stelde hij dat zijn strafrechtelijke veroordeling niet onherroepelijk was. De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er voldoende bewijs is dat appellant gedurende de genoemde periode werkzaamheden verrichtte, waaronder verklaringen van getuigen en een overzicht van gewerkte uren. De Raad acht de stellingen van appellant onvoldoende onderbouwd en wijst zijn verweer af. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en het besluit van het Uwv, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant ten onrechte WW-uitkering ontving wegens verrichte arbeid en wijst het beroep af.